header image
Start pagina arrow Baarlo
Baarlo

De naam Baarlo, die in het verleden op verschillende wijzen werd uitgesproken en geschreven, komen we tegen als Barlo, Barle en Baerlo. De naam is afgeleid van Ba(a)r (kaal, naakt) en lo (plaats in een bosrijke omgeving). Deze kale plek is ongetwijfeld de plaats waar nu de kerk staat. Deze ligt duidelijk op een verhoogd terrein t.o.v. de omgeving (kerkberg). Reeds vroeg hebben zich hier mensen gevestigd omdat zij als jagers en veehoudende nomaden hier vonden wat zij nodig hadden, namelijk veel bos waarin wild voorkwam. De Maas leverde vis en bood, vooral in de winter als zij grote stukken land overstroomde, een veilig gebied. Ook de Romeinen hebben hier nederzettingen gesticht. Hiervan getuigen de bodemvondsten bij de Pastoor Geenenstraat en de vondst van gouden en zilveren munten in de buurt van de Markt in 1830. Waarschijnlijk heeft op de plaats, waar nu kasteel d’Erp ligt, een verdedigbare uitkijktoren gestaan.

Wanneer we kijken naar de geschreven geschiedenis wordt Baarlo het eerst vermeld in een oorkonde van 1219, waarbij de hoeve Monnikiënhof te Baarlo en een flink stuk grond aan de abdij Mariënweerd (in de buurt van Tiel) worden geschonken.

In de Middeleeuwen behoorde Baarlo evenals Blerick en Bree tot het graafschap Kessel, dat weer deel uitmaakte van het Gelders Overkwartier. Samengevat kunnen we over Baarlo het volgende zeggen:

  • Vanaf 1277 behoorde het bij het Graafschap Kessel en later in 1339 bij het Hertogdom Gelder. 
  • Vanaf 1543 (Verdrag van Venlo) behoorde het tot de Zeventien Verenigde Nederlanden onder de Habsburgse dynastie. Tijdens de 80-jarige oorlog bleef het Gelders Overkwartier, en Baarlo dus ook, in Spaanse handen.
  • In 1673 verkocht de koning van Spanje de helft van de Heerlijkheid Baarlo aan de familie van Laer-d’Hoenlo, de bezitters van Huis ‘De Borcht’ (d’Erp). De andere helft kwam in het bezit van de familie van Holloniën zu Reden, die ‘De Berckt’ in handen hadden.
  • In 1715 kwam Baarlo onder het bestuur van de Koning van Pruisen. Door diens tussenkomst kwam de gehele Heerlijkheid Baarlo in 1750 in handen van de familie Bierens, het adellijk geslacht dat destijds verbleef op kasteel d’Erp. Deze situatie werd tot de komst van de Fransen gehandhaafd.

Baarlo als parochie
Hoewel er pas in het jaar 1466 sprake is van een parochie, is het waarschijnlijk dat die er ook voor dat jaar al was. De pastoors werden voorgedragen door de regerende Heren van kasteel d’Erp. Zij hadden het patronaatsrecht d.w.z. het recht van voordracht van een geestelijke. Kerkelijk behoorden zowel Maasbree als Baarlo voor 1559 tot het bisdom Luik en het aartsdiaconaat Kempenland. Dekenaal gezien hoorde Baarlo onder Maaseik en Bree onder Cuyck. Deze kerkelijke indeling veranderde grondig in de tijd van de Hervorming. Philips II van Spanje, ook Heer van de Nederlanden, meende de Hervorming beter te kunnen bestrijden door een herindeling van de kerkprovincies. Roermond werd bisschopsstad en behoorde tot het Aartsbisdom Keulen. Baarlo en Bree vielen als parochie onder het dekenaat Kessel. Na de komst van de Fransen werd aan de RK Kerk het verbod opgelegd om uiterlijk het geloof uit te dragen. De bisschopszetel in Roermond was ongeveer 50 jaar vacant. Pas in 1853 werd de kerkelijke hiërarchie hersteld.

Van schepenbank tot gemeente
Rechterlijk en bestuurlijk werd de Heerlijkheid Baarlo bestuurd door de Schepenbank. De schout als hoofd van de Schepenbank behartigde met zijn schepenen de hoge en de lage rechtspraak. Naast civiele en strafrechterlijke procedures behoorde ook het opmaken van in- en verkoopakten en testamenten tot hun taak. Als de schepenen het over een zaak niet eens konden worden, wendden ze zich tot de Schepenbank in Kessel, die op haar beurt te rade kon gaan bij haar collegae in Roermond. De bestuurlijke taak van de Schepenbank hield in het behartigen der gemeenschappelijke belangen zoals het beheer van gemeente-eigendommen en de uitvoering van een aantal overheidstaken. Concreet gesproken kwam de bestuurlijke taak op het volgende neer:

  • De betaling van de ‘bede’, een soort belasting, die de Hertog van Gelder vroeg aan de steden en de ridderschappen
  • Het innen van de ‘landschat’, een soort grondbelasting
  • Het zorgen voor de aanstelling van vroedvrouwen en onderwijzers
  • Het zorgen voor de begaanbaarheid van wegen en het verzorgen van waterlopen. Hierbij kon zij de inwoners verplichten tot het verrichten van hand- en spandiensten
  • Zorgen voor de veiligheid van de burgers door het aanstellen van schutten en veldwachters.

Middelen van bestaan
Zoals overal in die tijd was ook in Baarlo landbouw en veeteelt het hoofdmiddel van bestaan. In tegenstelling tot Maasbree was het met de bodemgesteldheid van Baarlo heel wat beter gesteld. Op de brede uiterwaarden van de Maas en op de verlande Maasarmen lag de vruchtbare rivierklei, die naast vruchtbare weilanden ook een uitstekende voedingsbodem vormde voor het telen van land- en tuinbouwgewassen. Daartoe waren de veengronden en de hooggelegen zandgronden heel wat minder geschikt. Ook het feit, dat er in Baarlo vier kastelen liggen wijst er al op, dat het op deze vruchtbare gronden beter ‘boeren’ was dan elders. Op zeker moment telde Baarlo meer dan tien grote pachtboerderijen, wier pachters als halfmannen of gewone pachters door middel van tienden ervoor zorgden dat het de Heren-eigenaren voor de wind ging. Toch bestond het grootste gedeelte van de Baarlose bevolking uit eenvoudige keuterboertjes en dagloners, die op de grote pachtboerderijen werk vonden. Van een paar stukjes land, een koetje, een paar varkens en een of meer geiten moest het gezin onderhouden worden. De dorpssmid, de molenaar, de bakker annex kruidenier, de timmerman en de metselaar waren de handwerkslieden, die met hun ambacht de kleine ‘luyden’ van dienst waren.

Armen
Ook in Baarlo zullen in deze tijden van weinig welvaart heel wat arme mensen geweest zijn. Om in de ergste nood te voorzien konden zij terecht bij ‘d’n Ermen’. Dit was een instantie binnen het gemeentelijk bestuur, die zich het lot aantrok van zijn armlastige medeburgers. Aanvankelijk bestond deze steun in natura, d.w.z. de burgers kregen levensmiddelen uitgereikt om niet van honger om te komen. Ook hoognodige kledingbehoeften werden door deze instantie verzorgd. Vooral de 17e en de 18e eeuw waren tijden waarin een zeer groot gedeelte van de bevolking in grote armoede leefde. Niet alleen de hoge belastingen (tienden op vee en gewassen) maar ook de op en neer gaande oorlogshandelingen in deze streken en de daarbij rondtrekkende en plunderende legers zorgden er wel voor dat de mensen het niet breed hadden. De armenzorg was lange tijd een taak, die door de schepenen verzorgd werd en later door de parochie is overgenomen.

Bree, later Maasbree genoemd
Het dorp Bree wordt voor de eerste keer genoemd in een akte uit het jaar 1240 waarbij Diederik, Heer van Altena, vele rechten schonk aan de monniken van het pas gestichte klooster St. Elisabethsdal bij Nunhem. Ook in Bree had heer Diederik bepaalde rechten die hij aan de kloosterlingen gaf, onder andere een derde deel van de gehele korentiende (tiende deel van alle gewas, dat halm of stengel droeg) en het recht om een persoon voor te dragen die in Bree het pastoorsambt mocht gaan bekleden. Uit deze oorkonde blijkt dus duidelijk, dat Bree in 1240 bestond als gemeenschap en dat er een kerk was. De kloosterlingen van St. Elisabethsdal hebben van deze rechten gebruik gemaakt tot ze in 1797 door de Fransen verdreven werden.

Het bestuur van het dorp werd, zoals reeds vermeld, tot de komst van de Fransen in gevormd door de Schepenbank. Aan het hoofd hiervan stond een schout, die door de Heer benoemd werd. Wat Bree betreft kwam dit recht, evenals de andere heerlijke rechten achtereenvolgens toe aan de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Bourgondië en de koning van Spanje. In 1673 kocht de Heer van Arcen, die door erfenis in het bezit van Huis Bree gekomen was, deze rechten van de Spaanse koning.

De Schepenbank maakte koop- en verkoopakten en testamenten op en wees recht in civiele en criminele zaken. De opgemaakte akten werden gewaarmerkt met een zegel, waarop Sint Aldegundis staat afgebeeld met kromstaf, opengeslagen boek, kerk met torentje en wapenschild met adelaar. Bijna alle bewoners voorzagen in hun levensonderhoud door te werken in de landbouw en veeteelt. Er lagen enkele grotere boerderijen in Bree, onder andere de Kerckenhof, hof Tongerlo, de hof aengen Eijnde, Baelshof, de grote en de kleine Westeringsehof en Haenenhof. Deze hoeven waren eigendom van adellijke heren of welgestelde burgers uit andere plaatsen en soms van kerken of kloosters. Ze werden bewerkt door een halfman die, zo blijkt al uit de benaming, de helft van de opbrengst van de hoeve aan de eigenaar moest afstaan. Ook hadden sommige inwoners een klein boerderijtje in eigendom, terwijl anderen als dagloner de kost moesten zien te verdienen. Natuurlijk waren er ambachtslieden, maar die hadden toch meestal ook een boerenbedrijfje.

Aan het betalen van belasting ontkwam niemand, of men moest wel heel erg arm zijn. Op de eerste plaats waren er de tienden, niet alleen op granen maar ook op vee. Verder rustten op elk stuk grond de zgn. thijnsrechten, die meestal in natura betaald moesten worden aan heren, kloosters of aan de kerk. Ook de gemeente hief ieder jaar belastingen op grond, vee, personen en ambachten. Dit noemde men de schattingen.

Armen, weduwen en wezen waren talrijk. Zij werden onderhouden door een soort stichting, ‘Den Armen’ genaamd. De stichting ‘Den Armen’ in Bree beschikte over geld en landerijen. Ze bezat zelfs een boerderij aan de Lange Heide, die ‘Den Armenhof’ werd genoemd en die bewoond werd door een pachter. Met de opbrengsten van al deze bezittingen werd de minder bedeelde medemens onderhouden.

Bij de oostgrens van het dorp, in het gebied waar nu boerderij De Plaats ligt, stond voorheen een Riddermatig Huis, het Huis Bree geheten. Dit Huis is hoogstwaarschijnlijk in handen geweest van de familie Van Brede. De vroegste schriftelijke vermelding van Huis Bree dateert van 1431, toen Willem Brant die Roever er door de hertog van Gelre mee werd beleend. Deze Willem Brant was een zoon van Johan die Roever en Griet van Brede, een dochter van Willem Brant van Brede. De Roevers waren schepenen in Den Bosch en hebben Huis Bree zeker niet zelf bewoond evenmin als de adellijke families, die het na hen in handen kregen. Zij lieten het beheren door een rentmeester. Het had voor hen waarde, omdat riddermatige afkomst èn het bezit van een riddermatig goed hen toegang verschafte tot de Staten van het Overkwartier, waardoor zij vrijgesteld waren van het betalen van enige belastingen. Door vererving via de vrouwelijke lijn kwam het Huis op 16 januari 1643 in handen van Reinier van Gelre, heer van Arcen. Vanaf die tijd werd het vaak ‘Huis Aarssen’ genoemd. Blijkens een tekening van Jan de Beijer uit 1738 verkeerde Huis Bree in die periode in een zeer slechte toestand. Wanneer het precies is verbouwd, is niet bekend.

Aan de westkant van Bree lag Huis Westering, tegenwoordig Westeringlaan 69. Oorspronkelijk was dit een boerenhofstede, waarvan blijkens een akte uit 1451 een tak van de familie Van Brede eigenaar was. Door huwelijk kwam het in handen van de Venlose schepenfamilie Van Lom. Hendrik van Lom verbouwde de boerderij tot Huis Westering en ging er met zijn gezin wonen. Hij en zijn echtgenote, Adriana op den Bergh, werden als eigenaars van een grafkelder begraven in de kerk van Bree. De Van Loms hebben Huis Westering bewoond tot de laatste telg uit dit geslacht, Joseph Arnolt, het goed in 1766 schonk aan Jan Frederik Karel van der Marck uit Eelen bij Maaseik, die vanwege deze schenking Joseph Arnolt tot zijn dood moest onderhouden. Vaak is Huis Westering nadien nog van eigenaar verwisseld. Het werd altijd door pachters bewoond tot de familie van Osch het in 1934 kocht en het in 1938 ging bewonen. In de laatste oorlogsdagen van 1944 werd het door Engelse granaten tot puin geschoten.

We kunnen gerust stellen dat de inwoners van Bree het door de eeuwen heen niet gemakkelijk hebben gehad. De grond was arm en de belastingen hoog. Doortrekkende legers van verschillende mogendheden eisten voedsel voor soldaten en vee of legden zware geldelijke contributies op. Vaak waren die zo hoog, dat ze uit de gewone belastingen niet betaald konden worden. Dan gingen de schepenen op pad om geld te lenen, meestal naar kloosters of particulieren in Roermond, Weert of Venlo.

De kerk vormde letterlijk en figuurlijk het middelpunt van het dorp. Men werd er gedoopt, trouwde er en werd vanaf deze plaats naar zijn laatste rustplaats op het kerkhof gebracht. De pastoor werd bij de zielzorg geholpen door een kapelaan. Sommige pastoors lieten het ambt uitoefenen door een vervanger, die zij dan zelf betaalden. Na het Concilie van Trente (1545-1563) is aan deze en andere misstanden in de kerk langzaam maar zeker een einde gekomen.

Op 16 september 1786 (Sint Cornelisdag) werd Bree getroffen door een felle brand. Uit een schatrekening van het jaar 1787 blijkt, dat 17 huizen door het vuur verloren gingen. De gedupeerden werden in laatstgenoemd jaar vrijgesteld van het betalen van de hoofdschat.

De gemeente Maasbree
In 1793 kwamen de Franse legers ook in onze streken ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ brengen. Zij belegerden Venlo, maar konden deze stad niet innemen. Na de nederlaag bij Neerwinden (in de nabijheid van Leuven) op 18 maart 1793 moesten zij de door hen veroverde gebieden verlaten. Een jaar later keerden zij echter terug en bezetten onze streken.

Een geheel nieuwe bestuursorganisatie kwam tot stand. Het land werd verdeeld in departementen, arrondissementen en kantons. De gemeente Maasbree behoorde tot het kanton Horst, het arrondissement Kleve en het departement van de Roer. Gemeenten met minder dan 5000 inwoners werden bij elkaar gevoegd tot één ‘mairie’. Blerick, Baarlo en Bree vormden samen de Mairie de Bree (later Maasbree genoemd). Het bestuur bestond uit een ‘maire’ (burgemeester), een of meer ‘adjoints’ en een ‘conceil municipal’ (gemeenteraad). Er deden zich meer veranderingen voor. Zo verloren adel en geestelijkheid hun rechten, maar voor de gewone man veranderde er weinig of niets ten goede. De belastingen en leveranties aan het Franse leger waren schrikbarend hoog en in veel gezinnen heerste angst en onzekerheid over het lot van zoons of broers, die gedwongen dienst moesten nemen in het Franse leger en van wie er verschillenden nooit naar huis zijn teruggekeerd.

Aan de Franse overheersing hebben we o.a. de burgerlijke stand, het kadaster, het burgerlijk wetboek en de dienstplicht overgehouden. Vooral dat laatste hebben de mensen altijd heel erg gevonden, zeker omdat de dienstplicht in die tijd vijf jaar bedroeg. Door het lot werd bepaald, of je tot de ‘slachtoffers’ behoorde. De welgestelden konden de dienstplicht afkopen door een vervanger in hun plaats te laten gaan, maar de gewone man had daar de middelen niet voor.

In 1814 kwam er aan het Franse bewind een einde en een jaar later werd het oude hertogdom Gelre bij het Koninkrijk der Nederlanden gevoegd. Tijdens de Belgische Opstand (1830-1839) hoorden onze streken bij België, maar daarna werden we, als Hertogdom Limburg, weer Nederlands.

De samenvoeging van Blerick, Baarlo en Bree is vanaf het begin minder succesvol geweest. Blerick heeft verscheidene keren geprobeerd zelfstandig te worden, wat niet gelukt is. In 1909 ondernamen B en W van Venlo voor het eerst een poging om Blerick te annexeren. Uiteindelijk kwam de annexatie tot stand op 1 oktober 1940. Baarlo en Maasbree gingen vanaf die datum tot beider tevredenheid verder als gemeente Maasbree.

Wapen en vlag
Bij beschikking van 17 september 1853 van de toenmalige minister van Binnenlandse zaken Z.E. van Reenen, werd aan de gemeente Maasbree het volgende wapen verleend:

"Een schild van lazuur met een links gaand gevleugeld hert sommé van een kruis tussen de hoornen, alles van goud, parti van keel met een springend hert van goud sommé van hetzelfde, het chef van het schild van goud met eenen adelaar van sabel".

Omtrent de betekenis van dit wapen kan het volgende worden vermeld. De adelaar heeft betrekking op het dorp Maasbree. Deze wapenfiguur is afgeleid van het zegel der schepenbank van de heerlijkheid Bree. Dit zegel bevatte het beeld der kerkpatrones, de H. Aldegundis, met o.m. een schild waarop een adelaar voorkwam. Dit schild met adelaar is zeer waarschijnlijk een herinnering aan het wapen der eigenaars van het kasteel Bree.

Het gevleugeld hert is uit het vroegere wapen van Blerick - sinds 1940 niet meer tot de gemeente behorende - en houdt waarschijnlijk verband met de kerkpatroon St. Hubertus.

Het springend hert heeft betrekking op Baarlo. In het zegel van de schepenbank van Baarlo komt het beeld van de H. Petrus voor met o.m. een schild waarop een naar links springend hert voorkwam.

De gemeentevlag
Bij besluit van de gemeenteraad van 5 oktober 1962 is een gemeentevlag vastgesteld volgens de volgende beschrijving:

"Rechthoekig, aan de onderzijde twee gelijke vlakken waarvan de hoogte 2/3 van de totale hoogte van de vlag bedraagt, links blauw, rechts rood; aan de bovenzijde een gele baan die over de gehele lengte van de vlag loopt, met een hoogte van 1/3 van de totale hoogte van de vlag".